Onderwijs: op weg naar verbetering
Achtergrond
In oktober 2008 stuurden de G4 een brandbrief naar onderwijsminister Plasterk: in de vier grote steden leveren meer dan honderd basisscholen niet de kwaliteit die mag worden verwacht. Tienduizenden kinderen leren op school onvoldoende rekenen, taal en lezen. De briefschrijvers beschouwen het rijksbeleid als ontoereikend: inspectie en departement zetten falende scholen te weinig onder druk. Het kan jaren duren voor zwakke scholen weer gaan presteren. De zorg van de gemeenten stuit bovendien op bestuurlijke autonomie van de onderwijsorganisaties: sommige besturen weigeren afspraken te maken over verbeteringen.
In Amsterdam is daarna een convenant met de schoolbesturen gesloten om binnen drie jaar het kwaliteitsprobleem in Amsterdam op te lossen. Ondersteund door onderwijsexperts zijn schooldirecteuren, bovenschoolse directeuren, besturen en de gemeente begonnen met een brede aanpak. Deze aanpak is eerder onder begeleiding van BMC ontwikkeld in een Friese gemeente, waarvan vrijwel alle openbare scholen door de onderwijsinspectie waren bestempeld als ‘zwak’ of ‘zeer zwak’. Het verbetertraject wierp binnen twee jaar zijn vruchten af: de leerresultaten stegen aanzienlijk, het pedagogisch-didactisch handelen van leraren won aan effectiviteit en het beleid van schooldirecties en bestuur werd van betekenis voor de duurzaamheid van de verbeteringen.
Wat gaan we doen?
Essentieel voor de aanpak van de scholen is dat wordt gefocust op een doelmatige didactiek van de schoolteams. Strategisch beleid, onderwijskundig leiderschap, externe ondersteuning staan in dienst van concrete leerkrachtvaardigheden waarvan wetenschappelijk is bewezen dat ze van betekenis zijn om leerlingen naar goede resultaten te leiden. Iedere school krijgt in deze aanpak ondersteuning om zelf tot een grondige analyse te komen van de problematiek. Elke school maakt eveneens onder intensieve begeleiding een eigen plan van aanpak. Prioriteiten, doelen en implementatie worden scherp toegesneden op de specifieke omstandigheden van de school. Directies en teams zijn eigenaar van het traject dat tot verbetering moet leiden. Op alle niveaus wordt de ontwikkeling van leerresultaten en onderwijsverbetering bij gehouden; op alle niveaus krijgt men intensieve feedback op de eigen rol. Het bestuur, de schooldirectie, het team, de leraar moeten het oog voortdurend richten op wat er in de klassenpraktijk moet veranderen om kinderen weer naar vermogen te laten leren.
Gemeenten ondersteunen de scholen die op deze wijze hun problematiek aanpakken met het aantrekken van bekwame onderwijskundige leiders en goede leraren. Gedurende het verbetertraject hoeven zwakke scholen uitsluitend te werken aan de onderwijskundige prioriteiten en niet deel te nemen aan projecten die hun oorsprong vinden in gemeentelijke beleidsportefeuilles als cultuur, integratie en jeugdbeleid.
Natuurlijk komt de gemeente bij deze benadering dicht bij de autonomie van de school. Er is bovendien stevige bemoeienis met de dagelijkse praktijk van leraren. Dat blijkt binnen de bestaande bestuurlijke verhoudingen te kunnen als de gemeente subsidieverstrekking verbindt aan een plan dat de succesfactoren van de aanpak in zich draagt. Het plan dient als contract tussen alle betrokkenen. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het plan; de gemeentelijke middelen zijn verbonden aan de daadwerkelijke uitvoering.